| |

Door JAAP JAN BERG (gepubliceerd in de Meikrant)

We zijn dezer dagen allemaal getuige van de dramatische wijze waarop in veel schurkenstaten in het Midden-Oosten geschiedenis wordt geschreven. Van de vastberaden betogers op het Egyptische Tahrir-plein tot de bijna wanhopige tegenstand van lichtbewapende burgers in het Libische Misrata. Hoe uitzichtloos de situatie soms ook lijkt, hoe laf de middelen ook die de diverse in het nauw gedreven dictators inzetten, alle beelden onderstrepen telkens weer dat geschiedenis daadwerkelijk kan worden gemaakt. Geschiedenis toont zich hier, extra versterkt door de niet beheersbare mogelijkheden van moderne media als Facebook en Twitter, als een onverminderd dynamische en urgente kracht. Een onweerstaanbare kracht ook. Ze laat zich universeel en mondiaal gelden en maakt bovendien geen onderscheidt tussen politieke kleur of systemen waarin of waartegen geschiedenis wordt gemaakt. Zo waren wij in West-Europa, alweer ruim twintig jaar geleden, er getuige van hoe diverse socialistische heilstaten stuk voor stuk omvielen als gevolg van vaak spontane acties en verzet door de jarenlang onderdrukte bevolking. Dat was een net zo historisch proces van formaat dat gelukkig met veel minder bloedvergieten, maar met net zoveel euforie na de goede afloop, werd afgedraaid. Onbetwist hoogtepunt daarbij was natuurlijk de val van hét symbool van de Koude oorlog, de Berlijnse muur, op 9 november 1989. Wie er niet zelf getuige van was hoeft alleen maar naar de beelden te kijken om nog steeds en onverminderd de kracht en energie te voelen die aperte geschiedenis kan hebben.

Geschiedenis in deze actuele en presente vorm is bedwelmend en verslavend tegelijk; heerlijk ook. Als vluchtmiddel uit de actualiteit kan geschiedenis evenzo bedwelmend zijn. Wanneer zich bepaalde niet nader genoemde ontwikkelingen manifesteren waar aanstoot aan wordt genomen is het een beproefde en succesvolle methode om terug te verlangen naar een eerdere periode. Ook het prikkelen en stimuleren van dat verlangen kan genoeg zijn om medestanders te krijgen. Geschiedenis wordt in die gevallen vaak misbruikt als comfortzone en als geruststellende verzamelbegrip voor een-tijd-toen-alles-nogbeter- was. In deze betekenis wordt geschiedenis ook vaak ingezet als wapen tegen verandering. Wanneer verandering als bedreiging wordt gepresenteerd kan geschiedenis met succes worden aangeboden als vluchtroute: alles moet bij het oude blijven, of nog liever terugveranderd in het oude. Niet zelden wordt in dit soort gevallen sluw ingespeeld op angsten en onzekerheden die zich in verschillende gedaanten in een moderne samenleving manifesteren.

Zonder hier te vervallen in het stigmatiseren van rechtse hobby’s, is het evident dat in veel West-Europese democratieën op dit moment sprake is van deze praktijken. De angsten en onzekerheden variëren daarbij van xenofobie tot de roep om meer (blauwe) veiligheid op straat. In de strijd tegen deze misstanden of bedreigingen wordt dus niet zelden de geschiedenis selectief ingezet om de teloorgang van bijvoorbeeld samenleving, stad of wijk te illustreren. Om deze schijnillusie vervolgens te laten volgen door draconische maatregelen die de oude tijden, of dat wat ze symboliseren, zouden moeten doen herleven of herstellen. In veel gevallen leidt dit overigens tot bittere teleurstellingen en kansloze missies. Maar dat terzijde. Ook op het niveau van architectuur is ons deze praktijk van het gebruiken van geschiedenis als wondermiddel tegen presente misstanden niet vreemd.

Geschiedenis is inderdaad actueel in de ontwerppraktijk. De inmiddels talloze voorbeelden van de succesvolle replica’s van zogenaamde jaren dertig architectuur en historiserende woonwijkjes zijn te obligaat om hier nogmaals ten tonele te voeren. De schuldvraag, voor zover relevant, ligt overigens niet zozeer bij de architecten, als wel bij opdrachtgevers en woonconsumenten. Zij spreken zich in hun (koop-)voorkeuren vaak overduidelijk uit voor het huwelijk tussen architectuur en geschiedenis. Over de verdere duiding van deze trend zingen inmiddels vele meer of minder succesvolle interpretaties in het rond. Zeker is wel dat de hang naar geschiedenis in onze vaderlandse architectuur veel te maken heeft met de weerzin tegen moderne vormen van architectuur en stedenbouw, of wat daar voor wordt aangezien. Vormen die tot een traditie hebben geleid die ons land na de oorlog voor een belangrijk deel heeft vormgegeven. En misschien is iets van de weerzin ook wel gericht tegen de personen en instituten die deze traditie verpersoonlijken en symboliseren. De schier eindeloze en vaak ook grillige discussie over dit historiserend of traditioneel bouwen kreeg onlangs weer een flinke impuls met het verschijnen van ‘De Nieuwe Traditie. Continuïteit en vernieuwing in de Nederlandse architectuur’. Beide auteurs lieten zich inspireren door de populariteit van traditionele bouwstijlen en pleitten voor architectuur met meer samenhang en meer referenties naar en besef van het verleden. Daarmee werd ook een ander belangrijk element in de discussie over de relatie tussen architectuur en geschiedenis aangestipt. Namelijk het bewustzijn van de plek of omgeving.

Een architect anno nu kan niet anders dan zich verhouden tot een historische context. Dat kan overigens ook betekenen dat hij die negeert. Ondertussen worden er dus boekenkasten vol geschreven en een eindeloze reeks discussieavonden gevuld met standpunten over de zegeningen of bedreigingen die het gebruik van geschiedenis bij architectuur met zich mee kan brengen. Ook deze krant en dit artikel dragen daar hun steentje aan bij. Op uitgesproken wijze dan wel. Namelijk door geschiedenis in de architectuur te propageren en te bepleiten die wordt uitgevoerd en gepraktiseerd op de Tahrir-style.

Geschiedenis dus als een actueel, activistisch gegeven en als agitatiemiddel. Het leidt tot een vorm van gedreven en geïnspireerde architectuur die niet uitsluitend uit is op het reproduceren, na-apen en verheerlijken van geschiedenis. Architectuur die niet meedoet aan het bedenken van quasi-stijlen die met meer of minder moeite zijn te onderscheiden van de originelen waar ze op geënt zijn. Architectuur die dus niet zijn best doet het verloop van de geschiedenis te ontkennen, maar de ‘historische’ tijden waarin we leven te weerspiegelen of beantwoorden. Want je zou, temidden van de genoemde vakdiscussie, de voorkeuren in makelaarsland en het gemarchandeer met de paradijselijk voorgestelde ‘andere tijden’, bijna vergeten dat er een andere vorm van omgang met geschiedenis mogelijk is. Een vorm die zich kenmerkt door een veel meer activistische en dynamische benadering. Architectuur die zich niet eendimensionaal en tuttig wil verhouden tot de voorbije geschiedenis, maar ook niet in de aloude valkuil van de modernistisch dialectiek wil stappen. Architectuur daarentegen die al historisch wil zijn in het heden; As we speak Architectuur in de Tahrir-style verhoudt zich op net zo’n inventieve en slimme wijze tot de meer traditionele en bedaagde partnerstijlen als tot de hardcore modernisten en hun talloze erfgenamen. Het laat zich dus niet lenen voor het beantwoorden van algemene verwachtingen. Maar ook niet tot het meebuigen met emoties die uit zijn op het herstel van historische taferelen en gebouwde genrestukken. En het laat zich al helemaal niet voor het karretje spannen van instanties of personen die zich bezighouden met financieel gewin of het verbeteren van leefomgevingen. Dat zijn tenslotte stuk voor stuk verwaarloosbare ambities naast de overweldigende bereikbaarheid van instant geschiedenis. Die focus, die zucht naar roem, maken de Tahrir architect soms ook ongrijpbaar en onvoorspelbaar. Hij weet zich in die rol echter gesteund door talloze historische figuren, soms ook van bedenkelijk allooi, die hem voorgingen. De geschiedenis pleit hem op dit punt dus ten dele ook weer vrij. De uitgesproken focus op het heden en de activistische betekenis die het daarin wil hebben ontslaat de architect die in deze stijl wil bouwen overigens niet van de noodzaak tot het bestuderen van de geschiedenis van een plek of bestaand gebouw.

Het adagium is ook hier: kennis is macht. De reden en inzet van de interesse en het bestuderen van de geschiedenis verschillen echter diametraal van de traditionele architect. Anders dan zijn collega’s die de (architectuur)geschiedenis bestuderen om in staat te zijn zich er op harmonische en adaptieve wijze toe te verhouden is de actief-historische architect juist op zoek naar ingrediënten of tekortkomingen die voor verbetering vatbaar zijn. Elementen die hem in staat stellen zijn eigen historische gebouw superieur te maken. Met voldoende verzamelde en verzonnen kennis van een bestaand gebouw of van een gebied moet hij in staat zijn zich er met goede, onderbouwde argumenten van te distantiëren. Alle kennis staat in dit geval in het teken van de ambitie om zichzelf én het gebouw dat hij ontwerpt een historische allure te geven. Geschiedenis maken in deze zin van het woord betekent veeleer het superieur kunnen zijn aan de geschiedenis. Het vergt derhalve een overduidelijke mate van historische arrogantie. Het doel heiligt ook in vele andere opzichten de middelen. Historisch wordt een gebeurtenis of persoon immers alleen als het/hij/zij iets teweeg brengt of ontregelt. Wanneer men het zich nadien kan herinneren. Dus het creëren van rumoer, het bewust veroorzaken van een rel of zelfs het maken van storende ontwerpfouten dragen allen overtuigend bij aan het bereiken van de gewenste status en vorm. De veelvoud aan tactieken die zo beschikbaar is en benut wordt leidt bij architectuur in de Tahrir-style wel tot een redelijk onvoorspelbaar en divers eindresultaat. De keuze voor één herkenbare en vaste ontwerptaal zou haar echter te kwetsbaar maken en ontdoen van de gewenste glans die bij een enigszins dilettante uniciteit hoort. Kwetsbaar voor voorspelbaarheid, maar ook voor pogingen tot kopiëren door andere architecten die eveneens historisch willen zijn. Historische figuren, zo ook deze architecten, zijn vaak eenzame, niet begrepen eenlingen. Dat klinkt tragisch, maar dat is het niet. Want voor de Tahrir-architect gelden andere normen. Zoals de droom om, bij leven, zijn gebouwen of persoon tot referentie te zien worden. Het hoogst bereikbare, tenslotte, is de status van levend en praktiserend historisch gegeven dat, geheel tegen de geldende moraal op dit gebied, het zal toejuichen wanneer een straat, of beter nog een plein, naar hem/haar vernoemd wordt.